Annelien de Dijn – Foto: Rebecca Fertinel

Annelien de Dijn (Foto: Rebecca Fertinel)

Jaarthema 2022:
Vrijheid in verbondenheid door Annelien de Dijn

Toen ik als kersverse Nederbelg mijn eerste 5 mei in Amsterdam meemaakte, nu tien jaar geleden, verwonderde ik me over de uitbundige manier waarop die gebeurtenis hier gevierd wordt. In België gaat Bevrijdingsdag meestal geruisloos voorbij – sinds 1974 is het zelfs geen officiële feestdag meer. Maar in Nederland wordt het einde van de bezetting in 1945 ieder jaar met dans, muziek en een gezellige maaltijd herdacht. Zelfs de afgelopen twee jaar, toen de coronacrisis roet in het eten gooide, werd 5 mei op allerlei inventieve manieren gevierd. We konden weliswaar niet fysiek bij elkaar komen, maar door de organisatie van online events en het uitdelen van gratis blikken Vrijheidsmaaltijdsoep werd het toch nog een gezamenlijk feest.

Dat uitbundige vieren heeft ongetwijfeld te maken met het grote belang dat aan de waarde wordt gehecht die op 5 mei centraal staat. Als je aan Nederlanders vraagt wat ze goed vinden gaan in hun land en waar ze trots op zijn, dan noemen ze opvallend vaak “vrijheid”, zo blijkt uit De stand van vrijheid, een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau in samenwerking met het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Die trots op vrijheid leeft breed. Zowel vrouwen als mannen, jongeren als vijftigplussers, lager- als hogeropgeleiden zien vrij zijn als een cruciale Nederlandse eigenschap. Wat dat precies inhoudt, is niet voor iedereen even gemakkelijk te articuleren. Maar de meeste Nederlanders, zo blijkt uit opinieonderzoek, bedoelen daarmee dingen als de “vrijheid te gaan en te staan waar je wilt, keuzevrijheid en aan niemand verantwoording hoeven afleggen.”

Door vrijheid op deze manier te definiëren, echoën Nederlandse burgers de ideeën van liberale filosofen zoals John Stuart Mill. Die schreef in 1859 het essay On Liberty, of Over de Vrijheid, dat in vele landen werd vertaald en vandaag nog steeds veel gelezen wordt. In dit essay definieerde Mill vrijheid als het vermogen om je leven in te vullen zoals je zelf wil, zonder dat de overheid of andere collectieve instanties daarbij tussenbeide komen. Mill betoogde ook dat die vrijheid zo groot mogelijk moest zijn. De enige legitieme reden waarom de handelingsvrijheid van een individu begrensd mocht worden, was om schade aan anderen te vermijden – het zogenoemde “schadebeginsel”. Maar de overheid mocht om geen enkele andere reden ingrijpen – ook niet om burgers tegen zichzelf te beschermen.

Deze manier van denken over vrijheid is vooral in de naoorlogse periode dominant geworden, niet alleen in de Engelstalige wereld, maar ook in Nederland en de rest van Europa. Ze past goed bij onze manier van leven. Sinds de jaren zestig is Nederland, net zoals andere Europese landen, in toenemende mate individualistisch geworden. Dat wil onder meer zeggen dat we in Nederland onze sociale verbanden zelf kiezen, terwijl die in meer traditionele samenlevingen vaak van bij de geboorte gegeven zijn. Dankzij de groeiende welvaart en de uitbouw van een verzorgingsstaat werden mensen “bevrijd” van de noodzaak om zich in moeilijke omstandigheden tot bijvoorbeeld familie of kerken te richten. Daardoor kon men in toenemende mate individuele keuzes (“dat bepaal ik zelf wel”) maken. Die ontwikkeling is beslist waardevol, omdat ze leidt tot de aanvaarding van zaken die nog niet zo lang geleden onbespreekbaar waren, zoals het homohuwelijk of abortus.

Maar in het licht van de coronacrisis is de schaduwkant van dit individualisme en de omarming van de individuele vrijheid die ermee samenhangt, scherper in beeld gekomen. Deze crisis heeft iets fundamenteel bloot gelegd: namelijk dat we onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In maart 2020 werd plots duidelijk dat zelfs onze meest basale activiteiten – praten, kuchen, hoesten, niezen – andere mensen kunnen schaden door ze te besmetten met een potentieel dodelijk virus. Maar ook los van het besmettingsgevaar laat de coronacrisis zien dat de beslissingen van medeburgers een dramatische impact kunnen hebben op ons leven. Patiënten die gebruik wilden maken van de planbare zorg, werden geconfronteerd met uitstel – en dat is ten dele een gevolg van de beslissing van anderen om zich niet te laten vaccineren. Maar ook kinderen en jongeren die plots wekenlang niet meer naar school konden, winkeliers wier winkel op slot moest, sportscholen die dicht gingen – iedereen wordt geraakt als de besmettingen te snel toenemen omdat teveel mensen zich niet houden aan de voorzorgsmaatregelen. Kortom, zolang het coronavirus rondwaart, kunnen we er niet omheen: ons gedrag heeft bijna altijd een impact op anderen. In het licht van onze verbondenheid wordt duidelijk hoe dubieus slogans zijn zoals “mijn leven, mijn vrijheid”, “ik zal zelf wel bepalen wat goed voor me is”. Want de keuzes die jij maakt, hebben sowieso een effect op anderen. De verantwoordelijkheid bij individuen leggen, zoals sinds de jaren zestig in toenemende mate is gedaan, leidt daarom niet per se tot vrijheid voor iedereen maar tot de “dictatuur van het eigenbelang”, zoals NRC-journalist Tom-Jan Meeus het uitdrukt. Jongeren hebben misschien relatief weinig te vrezen van het virus, maar zij kunnen het doorgeven aan hun ouders en grootouders of andere kwetsbare ouderen. Mensen die roepen “als ik ziek word, is dat mijn eigen risico!” houden geen rekening met het feit dat als teveel mensen tegelijk het ziekenhuis instromen, het risico bestaat dat de zorg aan medeburgers wordt afgeschaald.

Met de vrijheid van John Stuart Mill kunnen we in de context van de coronacrisis dus niet zoveel. Wil dat dan zeggen dat we helemaal niet vrij kunnen zijn? Dat vrijheid in een moderne, complexe miljoenensamenleving een onmogelijke utopie is, een luchtkasteel? Nee, helemaal niet. Want er is ook nog een andere, oudere manier van denken over vrijheid – die van denkers zoals Benedictus de Spinoza en Jean-Jacques Rousseau. Volgens Spinoza en Rousseau wil vrij zijn niet zozeer zeggen dat je zonder regels leeft, of onder zo weinig mogelijk regels – maar wel dat je controle hebt over de manier waarop die regels gemaakt worden. Zij argumenteren daarom dat vrijheid alleen mogelijk is in een democratische staat, waar alle burgers een gelijke inbreng hebben bij het maken van de wetten. In een democratie, zo stelt Spinoza, blijft iedere burger even vrij als hij of zij zou zijn in de ‘natuurtoestand’ – de situatie waarin mensen verkeren als er helemaal geen staat of overheid zou zijn. Sterker nog, volgens Spinoza is de democratische burger, die te gehoorzamen heeft aan collectief opgestelde wetten en regels, zelfs vrijer dan zijn of haar tegenhanger in de anarchistische natuurtoestand!

Op het eerste gezicht lijken deze ideeën misschien tegendraads of zelfs onzinnig. Hoe kunnen wetten en regels onze vrijheid nu vergroten? Niettemin houden de ideeën van Spinoza en Rousseau meer steek dan je aanvankelijk zou denken. Want het is wel degelijk zo dat wetten en regels ons kunnen helpen om onze doelen te bereiken – omdat zij niet alleen ons eigen gedrag aan banden leggen, maar ook dat van anderen. Een alledaags voorbeeld kan dat verduidelijken: de verkeersregels. De meesten onder ons verplaatsen zich bijna elke dag in het verkeer, van onze woning naar het werk of naar school, om te gaan winkelen of om vrienden te bezoeken. Tijdens deze ritten zijn we aan allerlei regels en beperkingen onderhevig: we moeten aan de rechterkant van de weg fietsen of rijden, we moeten om de haverklap wachten aan stoplichten, enzovoort. Dit alles lijkt misschien onze vrijheid in te perken, de vrijheid om te doen wat we willen zonder interventies van buitenaf. Meer bepaald lijken verkeersregels ons te beperken in onze vrijheid om ons zo snel mogelijk te verplaatsen van punt A naar punt B.

Maar is dat ook echt zo? Als we even verder doordenken, wordt al snel duidelijk dat verkeersregels ons juist kunnen helpen om ons doel te bereiken. Stel dat er helemaal geen verkeersregels waren, dan zou het al snel een complete chaos worden op de weg. In steden zoals Mumbai, waar verkeersregels minimaal worden nageleefd, ligt de gemiddelde snelheid veel lager dan in pakweg Rotterdam. En daar betekent deelnemen aan het verkeer ook dat er een groter risico is dat je helemaal niet aankomt op je bestemming, door verkeersongelukken. Met andere woorden: verkeersregels beperken onze vrijheid niet, ze helpen ons juist om ons doel te bereiken: ons snel en veilig van punt A naar punt B verplaatsen.

Tegelijk maakt dit voorbeeld ook duidelijk hoe belangrijk een ander punt van Spinoza en Rousseau is: dat de regels op democratische wijze worden opgesteld, met inbreng van de hele gemeenschap, en niet alleen een deel ervan. Stel dat verkeersregels enkel worden opgesteld met input van automobilisten, dan gaan die er heel anders uitzien dan wanneer ook voetgangers en fietsers worden geconsulteerd. Het ontbreken van een goeie fietsinfrastructuur en wetgeving die uitgaat van “no fault”-aansprakelijkheid voor zwakke weggebruikers in landen zoals het Verenigd Koninkrijk is bijvoorbeeld een gevolg van het ontbreken van een sterke fietserslobby zoals we die in Nederland kennen.

Volgens denkers zoals Spinoza en Rousseau is vrijheid met andere woorden een collectief goed eerder dan een individueel gegeven. Als we vanuit dit perspectief naar de vrijheid kijken, dan zien we dat bescherming tegen tirannie om heel andere acties vraagt dan die voorgeschreven door het liberalisme van John Stuart Mill. Niet: hoe kunnen we zoveel mogelijk regels zo snel mogelijk afschaffen? Maar wel: hoe kunnen we ervoor zorgen dat de bestuurders die wetten en regels opstellen, zoveel mogelijk onder controle van ons allemaal blijven staan? Dat er geen machtige lobby’s zijn die hun belangen laten primeren op het algemeen belang? Of dat wetgevers beïnvloed worden door de luidste schreeuwers, in plaats van de bevolking in het algemeen?

De 5 mei-viering is een bij uitstek geschikt moment om het belang van deze democratische vrijheidsopvatting terug centraal te stellen. De bezetting door het dictatoriale naziregime maakte op extreme wijze duidelijk welke gevolgen de afbraak van de democratische vrijheid kan hebben. De capitulatie van Duitsland gaf Nederland haar vrijheid terug – niet in de zin dat de naoorlogse overheid uit het leven van haar burgers verdween, maar wél omdat door het herstel van de democratie in 1945 gewone burgers opnieuw controle kregen over de manier waarop ze bestuurd werden. Laten we deze gelegenheid vandaag, 77 jaar later, gebruiken om het belang van de democratie te onderstrepen, en om na te denken over manieren waarop we die verder kunnen verdiepen en aanscherpen. Dat – en niet de dictatuur van het eigenbelang – is de vrijheid die het waard is om te verdedigen.

Annelien de Dijn

Annelien de Dijn is hoogleraar politieke geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht. Haar meest recente boek Vrijheid: een woelige geschiedenis werd in 2021 bekroond met PROSE Prize for Philosophy van de Association of American Publishers. Deze tekst is geschreven in opdracht van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.


Daan Roovers

Jaarthema 2021: Na 75 jaar vrijheid – Het fundament van vrijheid door Daan Roovers

“Gingen jullie tijdens de oorlog eigenlijk gewoon naar school?”, vroeg ik onlangs aan mijn vader. Tot mijn eigen verbazing wist ik dat niet precies. Natuurlijk had ik met mijn vader, die tijdens de bezetting pal naast een militair vliegveld in het zuiden van het land woonde, regelmatig over de oorlog gesproken, maar meestal vertelde hij dan over bombardementen, over piloten en over de bevrijding. Van het dagelijks leven, de school en de mensen uit de straat wist ik niet veel. De aanleiding voor deze vraag was een nogal praktische. Door de aangescherpte coronamaatregelen en de sluiting van de scholen vroeg ik me af of deze situatie zich eerder had voorgedaan in Nederland en hoe lang dit toen duurde.
Ja, vertelde hij. Mijn vader ging al die jaren naar school, maar soms slechts heel beperkt. Het grootste probleem in zijn woonplaats destijds was dat de school geen gebouw meer had; dat was ingenomen door de Duitsers. Geïmproviseerd, en ondergebracht in verschillende leerfabrieken in de regio, probeerden de leraren kinderen les te geven en de school draaiende te houden. Soms niet meer dan twee dagen in de week.

Nu, 76 jaar later, leven we in de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog – regeringsleiders, waaronder Rutte en Merkel, benadrukken met deze woordkeuze de uitzonderlijke impact van de pandemie. Bijzonder aan de coronacrisis is tegelijkertijd de wereldwijde verknoping: het gaat iedereen aan. Alle klokken staan nu even gelijk.
De crisis op wereldschaal dringt door tot in elk detail van ons dagelijks leven. De inperkingen van onze alledaagse en vanzelfsprekende vrijheden zijn ongekend. Het is een geheel nieuwe ervaring: verlaten winkelstraten, gesloten kantoren en cafés, de dringende oproep om thuis te blijven en – tot voor kort ondenkbaar – zelfs een avondklok. Nu er nog slechts enkelen in leven zijn die zich de Tweede Wereldoorlog actief herinneren, en het overgrote deel van de Nederlandse bevolking zelf nooit oorlog heeft gekend, is de huidige crisis de eerste grootschalige confrontatie met vrijheidsbeperking.

Voor een land waar vrijheid zo hoog in het vaandel staat als in Nederland weegt die inperking zwaar. Als je Nederlanders vraagt naar wat ze een belangrijke waarde vinden, noemen ze het woord ‘vrijheid’ het vaakst. We zijn er trots op en zien het als een onlosmakelijk onderdeel van onze Nederlandse identiteit, blijkt uit een vorig jaar uitgevoerd onderzoek door het Sociaal Cultureel Planbureau in samenwerking met het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Maar wat betekent die vrijheid eigenlijk? Zijn we het onderling eens over wat die waarde behelst? Uit het onderzoek blijkt dat het begrip vrijheid veel verschillende invullingen heeft. Vrijheid betekent ‘Kunnen gaan en staan waar je wilt’ en ‘Je eigen keuzes kunnen maken’. Het is ‘Jezelf kunnen zijn’, en ‘Vrij zijn om te doen en om te zeggen wat je wilt’, maar ook ‘niet beperkt worden’, of, zoals mijn twee bijna-pubers hier in huis zeggen: vrijheid is met rust gelaten worden. Al deze omschrijvingen behoren tot de definitie van vrijheid. Het gaat zowel om keuzevrijheid, om bewegingsvrijheid, als om meer burgerlijke vrijheden zoals de vrijheid van meningsuiting. Hoezeer we ook van mening verschillen: het begrip vrijheid én de discussie erover hoort bij onze traditie en onze cultuur. En dat is al eeuwenlang zo.

Nederlands beroemdste filosoof, Baruch de Spinoza, zelf kind van gevluchte ouders, roemde in de zeventiende eeuw ons land vanwege diezelfde vrijheid. Spinoza gaf hoog op over hoe hier in de Republiek der Nederlanden de burgers in onderlinge vrijheid leven, “ook al denkt de één duidelijk het tegengestelde van wat de ander denkt”. Hoe kan dat?, vroeg Spinoza zich af. Volgens hem is dat de verdienste van het ‘vrije staatsbestel’. De kern daarvan is dat de staat zich realiseert dat de vrijheid van denken en van spreken niet ingeperkt kan en mag worden. En dat de staat de burgers de ruimte geeft om zeer van elkaar te verschillen van mening, van religie of van gebruiken, maar dat de staat zélf zorg draagt dat al die burgers gelijk worden behandeld. Het is een delicaat evenwicht tussen vrijheid (van burgers in denken en spreken) en gelijkheid (van alle burgers ten opzichte van de staat). Het doel van de politiek is volgens Spinoza om te garanderen dat de burgers in veiligheid en vrijheid kunnen leven. De basis daarvoor ligt in een aantal noodzakelijke wetten en een onafhankelijke rechter die ervoor zorgt dat ze worden nageleefd: “Het doel van de staat is vrijheid”, zoals op Spinoza’s sokkel tegenover het Amsterdamse stadhuis geschreven staat.

Is die vrijheid onbegrensd? Nee, want de vrijheid van andere, aan ons gelijke burgers mag niet in het gedrang komen. De veiligheid en de stabiliteit van de staat mogen ook niet op het spel komen te staan. Is vrijheid een constante? Nee, vrijheid vergt voortdurende bescherming en toetsing, onder andere door de rechter. De Republiek der Nederlanden werd gebouwd op de productieve wrijving tussen vrije meningen, op voorwaarde van onderlinge gelijkheid. Dat was en is nog steeds de basis van een vrije samenleving.

Hierin ligt de basis van onze vrijheid, en dat solide fundament hebben we de afgelopen eeuwen sterk uitgebouwd. Vrijheid zit diep verankerd in onze identiteit. De vrijheid om te doen en te zeggen wat je wilt is in Nederland bijkans heilig, maar nooit vanzelfsprekend. Zelfs in vredestijd is vrijheid een waarde die niet ‘gegeven’ is. Vrijheid tref je niet zomaar aan in de natuur, of ergens in de mensheid, als een ready made. Vrijheid moet je realiseren, werkelijk maken. Het betekent meer dan niet onderdrukt worden.De meest basale definitie van vrijheid is niet overheerst te worden door een bezetter, een machthebber of autoriteit. De afwezigheid van dwang wordt ook wel ‘negatieve vrijheid’ genoemd, een term van de politiek denker Isaiah Berlin. Niet hoeven te gehoorzamen aan andermans bevel of opdracht; niet gehinderd worden je mening te uiten. Maar vrij zijn betekent óók jezelf kunnen zijn, je kunnen ontplooien, een beroep kunnen kiezen of kunnen studeren. Dat noemen we ook wel ‘positieve vrijheid’: de vrijheid om je eigen leven vorm te geven. De meer basale, negatieve vrijheid is een voorwaarde voor de meer persoonlijke, positieve vrijheid.

Wat betekent dat onderscheid voor ons leven nu, 76 jaar na de bevrijding? Nu we voor het eerst weer worden geconfronteerd met een grootschalige vrijheidsbeperking valt op dat op dit moment vooral onze bewegingsvrijheid onder druk staat. Er zijn (van bovenaf opgelegde) beperkingen aan ontmoetingen, reizen en de momenten waarop we naar buiten kunnen gaan. Dat is een drastische en zeer gevoelige inperking van onze gebruikelijke manier van leven. Deze crisis doet een sterk beroep op ons uithoudingsvermogen. De vrijheid die we als Nederlanders het sterkst verbinden met de Nederlandse cultuur, tevens een van de kroonjuwelen van de negatieve vrijheid, is echter ongedeerd: de vrijheid van meningsuiting. We kunnen vrijelijk informatie en opvattingen uitwisselen, elkaar en het beleid bekritiseren, nieuwe perspectieven aandragen. We hebben daartoe zelfs meer ruimte en mogelijkheden dan ooit, en we hoeven er de deur niet voor uit.
Zo lang deze vrijheid van spreken en denken gepaard gaat met de principiële gelijkheid van alle burgers blijft het fundament van de vrije samenleving overeind. Dat is het cruciale verschil tussen deze crisis en een bezetting, en zet direct elke vergelijking in perspectief. De huidige beperkingen zijn pijnlijk, maar een vrije samenleving garandeert dat deze proportioneel en tijdelijk zijn, en dat dit een uitzonderingstoestand is. De steunpilaren van de vrije samenleving, waaronder de onafhankelijke rechtspraak en principiële gelijkheid, staan fier overeind.

Tegelijkertijd begint de ervaring van beknotting in onze bewegingsruimte en spontaniteit zijn tol te eisen. We kunnen niet meer iedereen thuis uitnodigen, niet meer onze reguliere handel drijven en kinderen kunnen soms weken niet naar school. Onze positieve vrijheid vraagt niet alleen om bewegingsruimte maar ook om de mogelijkheden om jezelf te ontwikkelen: financiële middelen, onderwijs, schoolgebouwen. En die middelen zijn niet altijd beschikbaar nu. Zelfs na het opheffen van de laatste maatregelen zullen de consequenties daarvan nog lang te voelen zijn; de gevolgen van een crisis laten zich pas goed zien in de nasleep. De economische en sociale ontwrichting zijn niet met een of twee kwartalen hersteld. Dat vergt tijd.

In het jaar van de bevrijding ging mijn vader naar de eerste klas van de middelbare school. De eindexamenleerlingen van dat jaar kregen, volgens koninklijk besluit, hun diploma zonder hun examen af te leggen. De kinderen hadden in de jaren weliswaar veel gemist op school, maar tegenover het tekort aan opgedane schoolkennis staat “de grotere levenservaring van deze leerlingen”, zo luidt de toelichting bij het Besluit. Hoe het langdurige thuisblijven op de generatie jongeren van nu uitpakt, is nog gissen. De schade lijkt in elk geval niet eerlijk verdeeld: kwetsbare kinderen bouwen een nog grotere achterstand op. Prioriteit voor de komende tijd is dat het gat dat de afgelopen maanden is geslagen de bestaande ongelijkheid niet vergroot. Dat is de uiteindelijke test voor de weerbaarheid van onze democratie. Verschillen zullen er blijven, maar voor een vrije samenleving is het hebben van gelijke kansen voor alle mensen een van de belangrijkste pijlers.

Vrijheid – we wisten het al, maar het is het afgelopen jaar opnieuw duidelijk geworden – is maar beperkt maakbaar. Het is kwetsbaar. Een virus kan zomaar, tenminste een jaar lang, roet in het eten gooien. En alles wat we dan inleveren moeten we stap voor stap weer terugveroveren en opnieuw opbouwen. Het fundament van de vrije samenleving is gelukkig robuust, en lijkt onaangetast. Dat is wat we ieder jaar vieren, en wat we elke dag opnieuw dienen te beschermen en te versterken.

Daan Roovers

Daan Roovers, Denker des Vaderlands, is een Nederlandse filosofe en docent Publieksfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 2001 tot 2015 was zij hoofdredacteur van Filosofie Magazine. Daarnaast is zij debatvoorzitter in het Amsterdamse debatcentrum de Rode Hoed. Vanaf 29 maart 2019 draagt zij twee jaar lang de eretitel Denker des Vaderlands. Hierbij wil zij zich inzetten voor ‘publiek denken’: “Hoe kunnen wij gezamenlijk verder komen? Politiek gaat namelijk over ons, en de vragen die we daarbij stellen, moeten we weer onderdeel maken van ons dagelijks leven.”


Hare Koninklijke Hoogheid prinses Mabel van Oranje

Jaarthematekst 2020

Door Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Mabel

Kom vanavond met verhalen
Hoe de oorlog is verdwenen,
En herhaal ze honderd malen:
Alle malen zal ik wenen.

Elke keer wanneer ik deze prachtige, laatste regels uit het gedicht Vrede van Leo Vroman lees, realiseer ik me weer hoeveel betekenis verhalen in mijn leven hebben.
Het begon met de verhalen die mijn vader bij ons thuis aan tafel vertelde als hij terugkwam van de reizen die hij voor zijn werk naar Zuid-Amerika maakte. Ik was zeven, acht jaar oud, een kind nog. Door die verhalen ging ik al vroeg inzien dat er een wereld bestaat die zo volkomen anders is dan het Nederland waarin ik opgroeide: een wereld van armoede, waar je kunt sterven door een gebrek aan voedsel, waar scholen en ziekenhuizen geen vanzelfsprekendheid zijn. De meeste kinderen daar, begreep ik, zullen nooit dezelfde kansen hebben als mijn klasgenootjes en ik.

Dat maakte een gevoel van onrecht in mij los. Waarom zou je achtergrond of geboorteplaats bepalend zijn voor je mogelijkheden in het leven? Hebben we niet allemaal recht op gelijke kansen? Ik was negen toen mijn vader onverwachts stierf. Maar zijn verhalen over ongelijkheid, armoede en onrecht zal ik mijn hele leven niet meer vergeten. Ze hebben hun stempel gedrukt op de manier waarop ik naar mensen en de wereld kijk, ze liggen ten grondslag aan vele van de keuzes die ik in mijn leven maak.

Zo zijn mijn vaders verhalen over ongelijkheid en onrecht een belangrijke motivatie voor mijn huidige werk om een wereld zonder kindhuwelijken te bereiken. Ik ontmoet vaak kindbruidjes van dertien of veertien jaar, meisjes die van school zijn gehaald om te trouwen, die baby’s krijgen terwijl hun lichaam daar nog niet klaar voor is, en die vaak slachtoffer worden van huiselijk en seksueel geweld. Als mijn dochters toevallig elders in de wereld waren geboren, was dit dan hun lot geweest?, vraag ik me nu, als ouder van twee dochters, af.

Gecompliceerde werkelijkheid

En dan zijn er de verhalen die ik hoorde in New York, toen ik bij de Verenigde Naties stage liep tijdens mijn studie politicologie. Dat was in 1993. In het voormalige Joegoslavië – op zo’n twee uur vliegen van ons land – woedde een oorlog tussen bevolkingsgroepen die decennia lang vreedzaam naast elkaar hadden geleefd. Mensen werden verjaagd, verkracht en vermoord omdat ze tot een ‘andere’ etnische groep behoorden. Sarajevo, de multiculturele hoofdstad van Bosnië, werd belegerd door Servische troepen. Elke dag stierven er onschuldige mensen door kogels en granaten, of simpelweg door gebrek aan medicijnen. Naïef als ik toen nog was, dacht ik dat de Verenigde Naties een einde zouden maken aan geweld en oorlogsmisdaden. We hadden toch de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens waaraan alle landen zich ooit gebonden hebben? Werden in die Verklaring niet de fundamentele rechten van ieder mens gewaarborgd, zoals het recht om te leven in vrijheid en veiligheid?

Maar de werkelijkheid bleek stukken gecompliceerder. Vanaf de publieke tribune van de Veiligheidsraad hoorde ik gepassioneerde toespraken over vrede, vrijheid en gerechtigheid. Maar achter die grote woorden gingen vaak tegengestelde visies en belangen schuil. Voor het verwezenlijken van mensenrechten is iets heel anders nodig. Op de tiende herdenking van de Universele Verklaring zei de ‘founding mother’ Eleanor Roosevelt dat mensenrechten in het klein, dicht bij huis beginnen. Daar maken ze daadwerkelijk een verschil. ‘Concerted citizen action’ is hiervoor nodig: gezamenlijke inspanning van iedere burger. Als mensenrechten in ons dagelijks leven geen concrete betekenis hebben, hebben ze ook weinig gewicht elders in de wijde wereld, in de vergaderzalen waar de ‘grote’ beslissingen vallen.

Mijn ervaringen bij de Verenigde Naties gaven bij mij de doorslag om me in mijn werk te gaan inzetten voor vrede en mensenrechten – want niets doen en, erger nog, niets willen doen, kon en kan ik niet uitstaan. Dat werk bracht me regelmatig in Sarajevo, waar ik met eigen ogen zag hoe gewone burgers, die zich niet konden verdedigen, soms als schietschijf werden gebruikt. Ik sprak slachtoffers van etnische zuiveringen en verkrachtingen en vroeg me vertwijfeld af hoe deze gruwelijke misdaden aan het eind van de 20ste eeuw vlak bij huis mogelijk waren. Er zou, zo hadden we sinds 1945 gezegd, in Europa toch ‘nooit meer oorlog’ zijn?

Haat bestrijden

Er zijn meer verhalen die ik nooit zal vergeten. Daarvan is dit er één. In juni 2016, enkele dagen voor het Brexit-referendum, werd mijn lieve vriendin Jo Cox vermoord. Zij was moeder van twee jonge kinderen, en sinds een jaar lid van het Britse Lagerhuis. Dit was een politieke moord, uitgerekend in het land van de Bill of Rights, dat vaak als bakermat van de moderne democratie wordt gezien. Tijdens haar eerste speech in het parlement sprak Jo over de grote diversiteit in haar kiesdistrict, met woorden die niet vaak genoeg gehoord kunnen worden: ‘Er is zo veel meer dat ons bindt dan dat ons verdeelt.’ Jo was een levend en inspirerend toonbeeld van tolerantie, een verdedigster van mensenrechten en diversiteit, en een activiste tegen onrecht, discriminatie en haat. De moord was bedoeld om haar stem te smoren, maar het maakte dat miljoenen haar hoorden.
Ik herinner me een van mijn laatste gesprekken met Jo, op haar gezellige woonboot in de Theems dicht bij Tower Bridge in Londen. We maakten ons zorgen over het toenemende populisme, de verharding van het politieke debat en het opstoken van haat tegen minderheden. Jo constateerde dat gevoelens van angst en onveiligheid, aangewakkerd door opportunisten op zoek naar macht, leidden tot meer agressie op sociale media en groeiende onvrede met de politiek. Ze vreesde dat deze ontwikkelingen uit de hand zouden kunnen lopen. Wij konden toen niet vermoeden dat zij enkele maanden later zelf het slachtoffer zou worden van extremisme en haat.

Familie en vrienden waren vastbesloten om deze politieke moord niet te laten leiden tot nog meer haat, want dat was precies wat de moordenaar met zijn daad beoogde. In de geest van Jo namen wij ons voor deze haat te bestrijden door het mobiliseren van liefde en empathie. In de dagen na haar dood organiseerden we een memorial op Trafalgar Square om Jo te herdenken en haar idealen te laten zegevieren. Sindsdien zijn er ieder jaar talrijke initiatieven in het hele Verenigd Koninkrijk om verschillende gemeenschappen samen te brengen en wederzijds begrip te bevorderen. De activiteiten variëren van theedrinken met eenzame buurtbewoners tot gemeenschappelijke dorpspicknicks en uitwisselingprogramma’s tussen bewoners van kiesdistricten die voor en tegen Brexit hebben gestemd. De gemene deler is het menselijk contact met ‘de ander’ en het stimuleren van empathie. Omdat, zoals Jo het zelf zei, we meer wel dan niet met elkaar gemeen hebben.

Niet vanzelfsprekend

Wat al deze verhalen vertellen, is dat vrede en vrijheid, democratie en mensenrechten, niet vanzelfsprekend zijn. Het kan zomaar anders worden, ook in landen met een oude democratische traditie en een solide rechtsstaat, zoals het Verenigd Koninkrijk. Of in ons eigen land. Denk aan de moorden op Pim Fortuyn, Theo van Gogh en recent Derk Wiersum. Het kan ook hier en nu gebeuren. We weten alleen nooit in welke vorm en uit welke hoek het komt. De Four Freedoms die President Franklin D. Roosevelt in 1941 formuleerde – de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst, de vrijwaring van gebrek en de vrijwaring van vrees – zijn nog even actueel als tijdens de oorlog en vlak daarna, nu 75 jaar geleden.
In veel landen verhardt het politieke en maatschappelijke klimaat. Verschillen worden uitvergroot en mensen en bevolkingsgroepen tegen elkaar opgezet: Wij tegen Zij. Nationalisten en fundamentalisten van velerlei slag houden ‘de ander’ verantwoordelijk voor hun eigen gevoelens van ontheemding en onzekerheid, en stimuleren angst en haat op basis van identiteit. In hun verhalen wijken feiten voor beelden, en gemeenschappelijke waarden voor sentimenten.

Het voorspelbare gevolg is dat de maatschappelijke scheidslijnen scherper worden, en de samenleving minder tolerant en minder leefbaar. Het brengt ons verder af van de essentie van democratie: het recht op een andere mening, op het anders mogen zijn, op het jezelf kunnen zijn. Want democratie is meer dan: ‘de meerderheid beslist’. Respect voor ieder mens, voor minderheden is essentieel. Behoren we niet allemaal op bepaalde momenten in ons leven tot een minderheid? Het brengt ons ook verder af van waar de rechtsstaat voor staat: gelijke rechten voor iedereen en bescherming door de overheid van wie zwakker staan. Conflicten kunnen alleen worden opgelost als de vaak ongemakkelijke feiten mogen spreken, gemeenschappelijke waarden – zoals tolerantie, goede trouw en redelijkheid – het ijkpunt vormen en de geest van democratie en rechtsstaat gerespecteerd wordt.

Dagelijks onderhoud

Is het vijfenzeventig jaar na de bevrijding van Nederland nog nodig om onze vrijheid ieder jaar opnieuw te vieren? Ja! Onze vrijheid, onze democratie, onze rechtsstaat en onze vrije pers lijken zo normaal, maar zijn dat allerminst. Ze zijn fragiel en vergen daarom dagelijks onderhoud – door ons als collectief en door ieder van ons als individu.
Het zijn de verhalen van mijn leven die mij hebben bijgebracht dat het behoud van onze vrijheid vereist dat we zelf voortdurend kritisch blijven denken en zelfkritiek niet uit de weg gaan. Niemand heeft de waarheid in pacht. We dienen ons bij alles te blijven afvragen wat de feiten zijn, wat we ergens van vinden, waarom we het ergens wel of niet mee eens zijn. Zo blijven we openstaan voor debat – en zal het nooit een schande zijn om je mening te herzien.
Het in stand houden van onze vrijheid vergt dat we oog hebben voor onze medemens – ongeacht geslacht, huidskleur, achtergrond of geaardheid. We moeten ons uitspreken tegen intolerantie en haat. Want hoe kun je gelukkig zijn als jouw geluk ten koste gaat van het geluk van anderen? We kunnen alleen met elkaar samenleven als we een ander ook gunnen wat we voor ons zelf willen. Hoe kan een mens werkelijk vrij zijn als de ander dat niet is? Ware vrijheid verbindt.

Maar waar ik het meest van overtuigd ben, is dat vrijheid niet gebouwd wordt op grote mooie woorden, maar tot stand komt door kleine concrete daden. Daden in ons eigen huis, onze eigen levens. Daden om conflicten – groot of klein – te voorkomen. Daden om onrecht, ongelijkheid en onderdrukking uit te bannen. Daden om je medemens te laten weten dat hij of zij telt – net als jijzelf.

Die daden – groot en klein – vormen de basis voor nieuwe verhalen. Verhalen om met elkaar te delen. Verhalen die ons verbinden.

Kom vanavond met verhalen
Hoe de oorlog is verdwenen,
En herhaal ze honderd malen:
Alle malen zal ik wenen.

Kathe Kollwitz, Death Seizes a Woman

We zitten vast

We zitten vast
Voor het eerst in ons leven
Iets wat in ons zit tot last
Iets verschrikkelijk nieuws dat we moeten beleven’

Maar we begrijpen het een beetje meer
Hoe het was, om in angst te moeten zijn
Over die kille donkere straten, die gure sfeer
Waar we moeten leven in lands pijn

We begrijpen het een beetje meer
Hoe het was om alleen te zijn
In die duistere isolatie waar ik mij tot bekeer
Waar je zonder familie zit, je voelt je klein

We begrijpen het een beetje meer
Hoe het was, om onnodig mensen te verliezen
De trotse vlag en wimpel neer
We krijgen adviezen, maar niet precieze

We begrijpen een beetje meer
Hoe het was om onrecht te voelen
Wegens het zijn van een Aziatische vrouw of heer
Denken dat het hun schuld is, en op die groep te doelen

Doordat we vastzitten om een verwoestende ziekte
Zijn wij nog steeds ver af van de echte aard
Waar de angst bij ons piekte
Die de reden van onze herdenking verklaart

Geniet van het leven dat je is gebracht
Geniet van het dat ons is gegeven
Geniet van de vrijheid die ons is geschonken door de geallieerden
Geniet van de bevrijding

Winnend gedicht 2020 – Rafe Reinacher, VWO-4, De Meergronden

‘Wie de ogen sluit voor het verleden, is blind voor de toekomst’

Door Maurice Adams

“Proberen te vergeten verlengt slechts de ballingschap: het geheim van de verlossing ligt in de herinnering.” In mei 1985 haalde de toenmalige Duitse bondspresident Richard Von Weizsäcker dit Joodse spreekwoord aan. Hij deed dit tijdens zijn nog steeds lezenswaardige toespraak ter gelegenheid van veertig jaar bevrijding van de nationaalsocialistische tirannie. In zijn rede legde hij een nadrukkelijk verband met de actualiteit, omdat hij de herinnering thematiseerde als gids voor toekomstig handelen.

Vóór en ná 1940 zag ons land vluchtelingen toestromen die lang niet allemaal en dan ook nog met de nodige moeite toegang kregen. Eenmaal toegelaten, kregen deze mensen niet vanzelfsprekend de veiligheid waarop zij hadden gehoopt en die ze hadden verwacht. Dit gold voor Joden, maar ook na de oorlog, voor personen met een Nederlands-Indische achtergrond. Ook zij kregen een kille ontvangst en behandeling. Op het eiland Lampedusa, de ‘drempel van Europa’, arriveren momenteel nog bijna dagelijks vluchtelingen op zoek naar een beter leven; daarbij sterven er ook iedere dag. Zien we dit als onze zorg en verantwoordelijkheid? Of beschouwen we het meer als de nevenschade (collateral damage) van een keuze die mensen op de vlucht nu eenmaal zelf maken?

Tijdens de nationaalsocialistische overheersing was er geen sprake van een democratische rechtsstaat met een daarbij horende onafhankelijke rechtspraak. En het recht op vrije, politieke meningsuiting was nagenoeg zonder betekenis. In Duitsland zelf werd dit gelegitimeerd met een beroep op de – vermeende – volkswil van de bevolking. De huidige nationalistische regering van Hongarije heeft sinds 2010 een overweldigende meerderheid in het parlement. De laatste jaren werden onder meer de persvrijheid drastisch beperkt en het kiesstelsel hervormd ten voordele van de bestaande macht. Ook ondergaat de rechterlijke macht ingrijpende hervormingen. Hierdoor moeten zittende rechters systematisch plaatsmaken voor regeringsgetrouwe opvolgers. Bezwaren en tegengeluiden uit de politiek en de samenleving worden niet of nauwelijks gehoord. Hangt de kwaliteit van een democratie niet mede af van de manier waarop deze met andersdenkenden omgaat?

En hoe kijken we aan tegen het veranderende politieke taalgebruik? Dat lijkt er steeds vaker vanuit te gaan dat democratie niet een systeem is van omgang met politiek andersdenkenden, maar met vijanden. Zoals dat in nazi-Duitsland ook gebeurde. De voormalige Canadese politicus en publicist Michael Ignatieff stelt in zijn recente boek ‘Vuur en As’ dat er in de hedendaagse politiek steeds meer sprake is van oorlogstaal. Maar in een oorlog moeten vijanden worden verslagen of zelfs vernietigd. Zelfs het sluiten van bijvoorbeeld politieke compromissen kan dan als een vorm van verraad worden gezien.
In een democratische rechtsstaat is politiek nu echter juist een alternatief voor oorlog. Het politieke handelen heeft dan bij uitstek tot doel ons te behoeden voor een situatie waarin vreedzaam samenleven welhaast onmogelijk wordt. Dat doet de vraag rijzen in welke mate stevige politieke meningsverschillen gepaard moeten gaan met respect en tolerantie voor diegenen waarmee men van mening verschilt.

Steeds vaker treden problemen van het samenleven tussen burgers, via de route van botsende grondrechten, op de voorgrond. Grondrechten kennen geen rangorde. Zo staan het gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie op dezelfde hoogte als de vrijheid van meningsuiting. Het recht geeft dus niet op voorhand een antwoord op de vraag in hoeverre we moeten toelaten dat iedereen alles vrij kan zeggen, ook als die uitingen tot discriminatie en uitsluiting leiden. Hebben we inderdaad, zoals bij ons het geval is, een verbod op groepsdiscriminatie nodig als voorwaarde voor het in stand houden van een maatschappelijk klimaat waarin burgers elkaar als moreel gelijkwaardig beschouwen; een klimaat waarin burgers elkaar daadwerkelijk zien staan?
De geschiedenis herhaalt zich niet. Daarvoor is deze gebeurtenis te uniek. Er zijn echter wel patronen waar te nemen. Waar het op aankomt, is dat we verbanden proberen te leggen tussen unieke gebeurtenissen, zoals de systematische uitroeiing van de Joden, Roma en Sinti door de Nazi’s en meer actuele ontwikkelingen. Wel moeten we de verschillen tussen vroeger en nu duidelijk benoemen, maar we mogen het trekken van paralellen ook niet uit de weg gaan. We moeten concrete verhalen vertellen om ze van generatie op generatie door te geven en ze in stand te houden. Verhalen bijvoorbeeld over de bombardementen op Nijmegen en Rotterdam, de hongerwinter, de dwangarbeid in Zuidoost-Azië, het verzet tegen de Duitse overheersing, de ontberingen in de Japanse interneringskampen. Dat zijn we verplicht aan de generatie die de gruwelen van geweld, onderdrukking en vervolging zelf heeft meegemaakt. Deze verhalen hebben echter óók tot doel meer zicht te krijgen op de structuren die leiden tot de uitschakeling van rechtsstaat en democratie, en tot het verdwijnen van tolerantie en respect.

In dit laatste toont zich hoe geschiedenis en herinnering ook meer kunnen zijn dan de optelsom van individuele verhalen; hoe de wisselwerking tussen het verleden en het heden, en tussen het unieke en het algemene, kan worden gethematiseerd; hoe de verleden tijd in zekere zin juist niet voltooid is. Daarin ligt ook een kans besloten om huidige en toekomstige generaties waardevolle informatie aan te reiken en de noodzakelijke herinnering blijvend van waarde te voorzien. “Ik ben hier vanavond met mijn dochter en vier kleindochters. Mijn opa heeft in concentratiekamp Theresiënstadt gezeten omdat hij bij het verzet zat. Ik wil aan de volgende generatie meegeven hoe belangrijk het is om in vrijheid te leven”, aldus een deelnemer aan de Nationale Herdenking in Amsterdam.

Om ook met Von Weizsäcker te eindigen: “Wie de ogen sluit voor het verleden, is blind voor de toekomst.” Dat blijft onverminderd waar.

Ik

Wat is het mooi, om vrij te zijn,
om te bellen, praten, lachen
en te zwemmen, fietsen en lopen
met wie ik wil.
Wat is het mooi, om vrij te zijn.

Wat is het mooi, om vrij te zijn,
om te sporten, dansen en koken,
en te zingen, springen en spelen
met wie ik wil.
Wat is het mooi om vrij te zijn.

Wat is het mooi om vrij te zijn,
om te joggen, kamperen en rijden
en te vallen, groeien en op te staan,
waar en wanneer ik wil.
Wat is het mooi om vrij te zijn.

Wat is het mooi, om mezelf te zijn.

Winnend gedicht 2020 – Lorien Kindt, Helen Parkhurst